Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Inspiratie

Werk maken van inductie

woensdag 2 oktober 2013 | Arbeidsmarkt & mobiliteit

De hoge uitval onder startende docenten is – zeker gezien de toekomstige vergrijzing – een probleem. De oplossingsrichting is echter eenvoudig. Onderzoeker Nicolien Montessori: “Scholen zouden een systematisch begeleidingsprogramma voor beginnende docenten moeten invoeren. Ze moeten serieus werk maken van inductie.”

Feit: de uitval onder beginnende leraren is hoog. Onderzoek van Nicolien Montessori in opdracht van Aantrekkelijker Scholen, een project van het Regionaal Platform Onderwijsarbeidsmarkt Utrecht, laat zien dat het gemiddelde verloop bij de 33 deelnemende scholen in vijf jaar tijd maar liefst 43 procent is. Veel startende docenten vertrekken bijvoorbeeld naar een andere school, beginnen voor zichzelf of zoeken een baan in een andere sector. Maar is dat überhaupt wel een probleem? Is het verloop onder startende docenten ook echt té hoog? Dat was ook de vraag die Montessori zich stelde aan het begin van haar onderzoek naar de verbetering van de inductiefase. “Er is wel degelijk sprake van een probleem”, vertelt de onderzoekster. “Het verloop onder beginnende docenten is echt te groot. Dat komt over het algemeen niet door ontevredenheid over status of salaris, zo bleek uit mijn onderzoek. Het ligt vooral aan het feit dat beginnende docenten niet genoeg begeleiding krijgen. Ook ervaren veel leraren de overgang van hun studie naar werk als een cultuurshock.” Jan Koot, projectleider Aantrekkelijker Scholen, herkent de problematiek en gaat nog een stapje verder. “Docenten zijn vaak pas na vijftien jaar lesgeven op hun top. Daarom zouden alle docenten eigenlijk langdurige begeleiding moeten krijgen.”  

Leven lang leren
En daar schort het vaak aan. Veel scholen bieden wel begeleiding aan beginnende docenten. Maar die begeleiding is meestal kortdurend. “Als de docent na een jaar een vast contract heeft, houdt de begeleiding vaak op”, vertelt Montessori. “De docent moet het dan zelf maar zien te rooien.” Montessori en Koot vinden dan ook dat scholen meer werk zouden kunnen maken van begeleiding. “Scholen zouden een systematisch begeleidingsprogramma voor beginnende docenten moeten invoeren. Ze moeten serieus werk maken van inductie”, stelt Montessori. “Ook zouden startende leraren actievere begeleiding moeten krijgen. Die begeleiding moet ook na de inductiefase doorgaan. Docenten hebben recht op een leven lang leren.” Koot vindt dat inductie een integraal onderdeel moet zijn van het personeelsbeleid van vo-scholen. “Neem het bijvoorbeeld op in je gesprekscyclus. En probeer je begeleiding reflectief van aard te maken. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van observaties en feedback.” Een andere tip van Koot is dat nieuwe medewerkers vaak waardevolle, nieuwe inzichten meebrengen. “Daar wordt de schoolcultuur alleen maar rijker van. Beginnende leraren kunnen qua lesgeven natuurlijk nog genoeg dingen opsteken, maar ze nemen ook ervaringen mee waar andere docenten van kunnen leren. Denk maar eens aan de omgang met sociale media of het gebruik van een iPad.”  

Maatwerk
Niet alleen in de regio Utrecht wordt onderzoek gedaan naar de begeleiding van beginnende docenten. Ook de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) onderzoekt inductie. José van Kooten, docent en coach aan de Rientjes Mavo in Maarssen, vertelt dat haar school in samenwerking met de RUG het begeleidingstraject voor startende leraren heeft verfijnd. “Samen met mijn collega Marjolein Porskamp heb ik een aantal jaar geleden een begeleidingsprogramma voor beginnende docenten opgesteld.” Samen met de RUG bekeken Van Kooten en Porskamp vervolgens de sterke en zwakke punten van het door hen opgezette driejarige inductieprogramma. “Daaruit kwam naar voren dat we meer moesten inzetten op maatwerk. We moesten ons inwerkprogramma meer aanpassen aan de individuele docent. Nu bekijken we per persoon wie de coaching op zich neemt. Geen docent is immers hetzelfde. En als coach hebben Marjolein en ik ook allebei onze eigen specialiteit.”  

Begrip en interesse
Uit de analyse van de RUG bleek daarnaast dat beginnende docenten aan de Rientjes Mavo meer intervisie wilden met hun collega’s. “In plaats van zes keer per jaar wilden ze wekelijks met elkaar om de tafel. Mooi om te zien!” De Rientjes Mavo houdt daarnaast rekening met stress onder beginnende docenten. “De onderzoekers van de RUG vertelden ons dat stress een belangrijke factor is in het uitvalgedrag van beginnende docenten. Daarom hebben we met onze directie afgesproken dat docenten in hun eerste lesjaar bijvoorbeeld geen mentoraat krijgen en geen surveillance hoeven te doen.” De coaching op de Rientjes Mavo blijft overigens niet alleen beperkt tot beginnende docenten. “Iedereen kan van onze diensten gebruikmaken, ook zittende docenten. En ook hier gaat het om maatwerk. Coaching voor zittende docenten gebeurt overigens altijd op aanvraag, hetzij van de docent zelf, hetzij van de leidinggevende.” Van Kooten raadt scholen die een inductietraject opzetten aan om hierover goed te communiceren. “Interne communicatie is heel belangrijk. Je moet mensen meenemen in zo’n traject en voorkomen dat je scheve gezichten krijgt. Bij ons vroegen mensen zich af waarom beginnende docenten opeens geen tussenuren meer hoefden te draaien. Als je zoiets helder uitlegt, ontstaat er begrip en interesse. Zo hebben oudere docenten aangegeven ook graag intervisie te willen. Dat zijn mooie dingen.”

Bron: Magazine VO in Ontwikkeling, oktober 2013

Gerelateerde onderwerpen