Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Publicaties

Flexibele arbeid in primair en voortgezet onderwijs

vrijdag 31 oktober 2014 | Arbeidsmarkt & mobiliteit

Betreft: onderzoek naar het gebruik van flexibele contracten in het onderwijs
In opdracht van: Ministerie OCW
Uitgevoerd door: Ecorys
Datum uitgave: oktober 2014  

De arbeidsmarkt in het onderwijs is aan veranderingen onderhevig. De afname van het aantal leerlingen, toenemende kosten en wijzigingen in wet- en regelgeving zorgen ervoor dat onderwijsinstellingen op een andere manier naar hun personeelsbestand kijken. In andere sectoren wordt steeds meer gebruik gemaakt van flexibele arbeidscontracten. Bekend is dat er ook in het onderwijs gebruik wordt gemaakt van deze contractvormen. De vraag is echter wat de omvang van dit gebruik is per sector en wat het effect is van flexibele arbeid in het onderwijs. Deze informatie is voor OCW en sociale partners van belang om de ontwikkeling van onderwijspersoneel goed in beeld te hebben.  

Om die reden heeft OCW een onderzoek laten uitvoeren naar het gebruik en de omvang van flexibele arbeid in het primair en voortgezet onderwijs.
Dit onderzoek heeft betrekking op het po en vo en biedt inzicht in:
  • De verschillende flexibele contractvormen die in deze onderwijssectoren worden gebruikt;
  • De omvang van het gebruik per contractvorm en per onderwijssector;
  • De financiële gevolgen van het gebruik per contractvorm en per onderwijssector;
  • De positieve en negatieve gevolgen (voor- en nadelen) per contractvorm en per onderwijssector.  

Het onderzoek is uitgevoerd terwijl de huidige wetgeving nog van kracht is. Deze biedt meer ruimte voor flexibele arbeidscontracten dan de nieuwe Wet werk en zekerheid (Wwz).    

Samenvatting voortgezet onderwijs
Net als in het primair onderwijs, wordt er ook binnen het voortgezet onderwijs gebruik gemaakt van flexibele contractvormen. Naar schatting bestaat de vaste kern (de vaste kern bestaat uit werknemers met een vast of tijdelijk contract met uitzicht op vast) binnen het voortgezet onderwijs uit ruim 95.000 werknemers, wat 91 procent van het totaal aantal (inclusief externe) krachten binnen het vo behelst. Een krappe 3.000 werknemers (3% van het totaal) zijn via derden, zzp-constructies of een flex b.v. in beheer van onderwijsinstellingen werkzaam binnen het voortgezet onderwijs en vallen daarmee buiten de werkingssfeer van de cao vo. Als het gaat om flexibele contractvormen, dan wordt er binnen het vo met name gebruik gemaakt van tijdelijke contracten zonder uitzicht op vast en payrollcontracten.  

Alhoewel het aandeel (tijdelijk met uitzicht op) vaste contracten relatief hoog is, geeft de meerderheid van besturen aan dat dit aandeel de afgelopen vijf jaar gelijk is gebleven of is afgenomen. De oorzaak van de daling van deze contractvormen bij besturen heeft vooral te maken met de (verwachte) afname van financiële middelen vanuit de overheid, (verwachte) afname van het aantal leerlingen en het willen beperking van de arbeidsrechtelijke risico’s. Vergeleken met de andere contractvormen, geven besturen het vaakst aan dat tijdelijke contracten zonder uitzicht op vast zijn toegenomen. Deze besturen noemen hiervoor dezelfde redenen als wanneer er sprake is van afname van het aandeel (tijdelijk met uitzicht op) vaste contracten.  

Tussen functiegroepen zijn er verschillen in het gebruik van contractvorm te zien, alhoewel deze relatief beperkt zijn. Het aandeel flexibele contracten is bij de functiegroepen onderwijzend personeel en OOP bijvoorbeeld hoger dan het geval is bij OBP en managementpersoneel. Bij managementpersoneel worden naar verhouding het minst vaak flexibele contractvormen gehanteerd: slechts drie procent heeft een flexibel contract. Ondanks de kleine verschillen naar functie, komt naar voren dat recent gediplomeerden vergeleken met andere werknemers vaker een flexibel contract hebben. Dit komt volgens geïnterviewde werknemers en besturen vooral doordat recent gediplomeerden vaker dan ander personeel nieuw in de organisatie en/of op de arbeidsmarkt komen, waardoor zij eerder een flexibel contract krijgen aangeboden.  

Besturen geven aan vooral flexibele contracten in te zetten in het kader van vervanging, tijdelijke werkzaamheden, het voorkomen van arbeidsrechtelijke risico’s en onduidelijkheid over de voortzetting van de financiering. De meerderheid verwacht de komende twee jaar meer flexibele en minder vaste contracten te gaan hanteren. Hiermee doelen zij waarschijnlijk voornamelijk op flexibele contracten in eigen loondienst, aangezien zij tevens aangeven personeel op de loonlijst te prefereren boven zzp’ers of payrollkrachten. Zzp’er en payrollkrachten zijn immers duurder en hebben minder binding met de organisatie, aldus de besturen. De reden dat besturen meer flexibele contracten denken te gaan hanteren, heeft te maken met teruglopende leerlingaantallen en teruglopende financiering. Wanneer er geen sprake zou zijn van bovenwettelijke WW of eigenrisicodragerschap, zouden besturen vaker iemand in eigen loondienst aannemen. Nu wordt door besturen bijvoorbeeld gebruik gemaakt van uitzend- of payrollcontracten bij tijdelijke vervanging, omdat zij het risico op de kosten van WW niet willen lopen bij een contract ten behoeve van vervanging. Verder zijn besturen van mening dat de cao te weinig ruimte biedt om flexibele arbeid te kunnen benutten. Vooral de limitatieve gronden met betrekking tot het tijdelijk in loondienst hebben van personeel vinden zij een beperking. Een jaar tijdelijk om dan daarna op vast over te gaan, vinden sommigen te snel gaan.  

Als het gaat om effecten van flexibele arbeid op het onderwijs, zien besturen in het voortgezet onderwijs geen verschil tussen flexibele en vaste krachten in prestaties of kwaliteit van het onderwijs. Wel vinden zij dat flexibele krachten minder binding hebben met de organisatie en zich minder betrokken voelen bij de leerlingen dan vaste krachten. Daarnaast zou de inzet van flexibele krachten ook niet goed zijn voor de continuïteit, doordat er steeds rekening gehouden dient te worden met inwerktijd van een persoon. Besturen zijn niet van mening dat er meer geld over blijft voor het onderwijs door de inzet van flexibele arbeid. Zo is de inzet van externe flexibele krachten duurder door de btw. Sommige besturen geven echter aan dat externe flexibiliteit op termijn wel voordelig kan zijn, wanneer er op termijn sprake van krimp is en werknemers boventallig worden. In dat geval kunnen de externe flexibele krachten er relatief gemakkelijk uit en hoeft er geen reorganisatie plaats te vinden en zijn er geen extra kosten met betrekking tot de WW en de bovenwettelijke WW aan verbonden.  

Tot slot komt uit het onderzoek naar voren dat niet alle besturen even goed op de hoogte zijn van de veranderende wet- en regelgeving en hier niet altijd mee bezig zijn. Zo geven sommige geïnterviewde besturen aan dat zij verwachten dat er niet of nauwelijks wat zal veranderen, omdat zij denken dat er voor het onderwijs uitzonderingen gemaakt zullen worden. Anderen zien daarentegen wel problemen als het gaat om de aanpassing van de ketenbepaling. Zo zou twee jaar te kort zijn voor een docent om zijn bevoegdheid te halen, terwijl de werkgever geen vast contract mag bieden als iemand zijn bevoegdheid niet heeft. Door de inperking van interne flexibiliteit (in de zin van het aantal en de duur van tijdelijke contracten) verwachten zij dat er meer externe flexibele contracten ingezet zullen worden door besturen.  

Gerelateerde onderwerpen