Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Publicaties

Loopbaanmonitor 2016 - Begeleiding beginnende leraren

zaterdag 1 oktober 2016 | Arbeidsmarkt & mobiliteit | Loopbaan & professionalisering

Betreft: Loopbaanmonitor 2016 - Begeleiding beginnende leraren
In opdracht van: Ministerie van OCW
Uitgevoerd door: Mooz Onderzoek
Uitgave rapport: oktober 2016 


Een belangrijk speerpunt van het ministerie van OCW is het beschikbaar hebben van voldoende leraren van goede kwaliteit. Pas afgestudeerde leraren zijn daarbij een belangrijke doelgroep. Met de loopbaanmonitor volgt het ministerie de ontwikkelingen in de arbeidsmarktpositie van beginnende leraren en in de begeleiding en ondersteuning die zij krijgen. Voor het onderzoek wordt jaarlijks een enquête gehouden onder pas afgestudeerden leraren en een aantal verdiepende analyses uitgevoerd op basis van CBS-gegevens. In dit rapport worden de belangrijkste uitkomsten van het enquêteonderzoek gepresenteerd.

De uitkomsten over de arbeidsmarktpositie van starters worden apart gepubliceerd. Het voorliggend rapport geeft de resultaten weer van de vragen die over de begeleiding van starters gaan. Daarbij is tevens gekeken naar het geloof in eigen kunnen (self-efficacy) en de werktevredenheid.

Begeleiding
Leraren die in 2015 voor het eerst een diploma hebben behaald voor een lerarenopleiding op bachelor- of masterniveau hebben iets vaker begeleiding gekregen dan het cohort van 2014. Dit geldt vooral voor starters met een pabodiploma (79% cohort 2015 en 72% cohort 2014). Onder hun collega’s vanuit de lerarenopleidingen vo (bachelor en master) was het aandeel met begeleiding ongeveer gelijk (89%) aan dat van het voorgaande jaar (88%). Net als voorgaande jaren worden starters in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs het vaakst begeleid door een ervaren leraar, maar zijn er verder grote verschillen in welke begeleidingsactiviteiten starters aangeboden krijgen. Starters van lerarenopleidingen voorgezet onderwijs krijgen relatief vaak intervisie, begeleiding door een coach en lesobservatie door een ervaren leraar. Pas afgestudeerden van de pabo worden juist relatief vaak begeleid door de schoolleiding. Overigens is volgens verreweg de meerderheid van alle starters de lerarenopleiding niet betrokken bij de begeleidingsactiviteiten. 

Als het gaat om het aantal onderwerpen en aantal activiteiten, is in vergelijking met vorig jaar de begeleidingsintensiteit onder alle groepen starters licht gestegen: zowel in het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs en zowel onder starters met een invalbaan als degenen met een reguliere baan. Er zijn dan ook steeds minder pas afgestudeerden die geen enkele vorm van begeleiding hebben gekregen. Daarentegen zijn er ook minder starters die een begeleidingsprogramma van 4 of meer activiteiten krijgen. Hoewel de intensiteit van de begeleiding (sterk) varieert, is zo’n 70% van alle starters die begeleid worden tevreden met hun begeleiding. Het lijkt daarbij niet zozeer uit te maken hoe ze worden begeleid, maar of ze worden begeleid. Starters die hun ondersteuning geheel zelf op informele wijze moeten organiseren, zijn juist in meerderheid ontevreden over hun begeleiding. 

Naast afspraken over begeleiding is in het Bestuursakkoord PO eveneens afgesproken dat scholen gebruik gaan maken van een gevalideerd instrument om de didactische vaardigheden van leraren in beeld te brengen. Dit blijkt bij 26% van de pabo-gediplomeerden en 29% van de afgestudeerden aan lerarenopleidingen vo gebruikt te zijn. Van deze groep geeft ruim 90% aan het een (zeer) nuttig instrument te vinden.

Factoren voor krijgen van (goede) begeleiding (regressie-analyses)
Het is met name het werkklimaat dat van invloed is op het krijgen van begeleiding en dan met name de samenwerking en ondersteuning. Daarnaast spelen contractkenmerken een rol: starters met een invalbaan en/of kleine deeltijdaanstelling krijgen relatief minder vaak begeleiding dan wanneer zij een reguliere baan en/of grote (voltijds) aanstelling hebben. Onder pas afgestudeerden van lerarenopleidingen vo maakt het daarnaast uit in welke sector zij werkzaam zijn (in het mbo een kleinere kans), in welk vakgebied zij lesgeven (maatschappij, economie of verzorging een grotere kans) en welke type contract zij hebben (tijdelijk kleinere kans). Het werkklimaat is tevens de belangrijkste voorspeller voor de begeleidingsintensiteit: indien er sprake is van een goede samenwerking binnen het team, is er ook sprake van een goede begeleiding van starters. 

Geloof in eigen kunnen
Net als voorgaande jaren hebben afgestudeerden van de pabo een groter geloof in eigen kunnen dan de starters met een lerarenopleiding vo. Hoewel de ‘rangorde’ ietwat verschilt tussen beide groepen, hebben zij het minst geloof in eigen kunnen als het gaat om: 
  • Leerlingen te helpen hun talenten te ontdekken;
  • Toepassen van diverse beoordelingsstrategieën;
  • Gebruik maken van niet-klassikale lesmethoden;
  • Motiveren van ongeïnteresseerde leerlingen;
  • Signaleren van leerproblemen en ontwikkelen van een passend pva.

Uit verklarende analyses blijkt begeleiding een gunstig effect te hebben op het geloof in eigen kunnen van startende leraren. Daarbij speelt niet alleen de omvang van het inductiearrangement een rol, maar tevens welke activiteiten worden aangeboden.

Werktevredenheid
Net als voorgaande jaren laten starters een hoge werktevredenheid zien: pas afgestudeerden van de pabo geven gemiddeld een 7,7 en afgestudeerden van lerarenopleidingen vo een 7,5. Het gaat dan om gemiddelde rapportcijfers voor de inhoud van het werk, de organisatie waar men werkt en het werken in het onderwijs tezamen. Er zijn echter verschillen in tevredenheid. De grootste verschillen worden  zichtbaar als onderscheid wordt gemaakt naar geloof in eigen kunnen. Voor alle soorten starters geldt dat hoe sterker men in eigen kunnen gelooft, hoe hoger de werktevredenheid is. Dit wordt bevestigd door verklarende analyses voor de mate van werktevredenheid. Het blijkt dan niet zozeer de begeleiding te zijn die uitmaakt (beperkt effect), als wel het geloof in eigen kunnen en de person-job fit (mate waarin de verwachtingen van het werken in het onderwijs overeen komt met de werkelijkheid). Als alleen naar de tevredenheid met de organisatie wordt gekeken, dan blijken de begeleidingsintensiteit en het werkklimaat bepalend te zijn.

Zie ook de Kamerbrief derde voortgangsrapportage Lerarenagenda.