Voion | Arbeidsmarkt & opleidingsfonds voortgezet onderwijs

Er wordt gezocht op *

Publicaties

Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2015

maandag 10 oktober 2016 | Arbeidsmarkt & mobiliteit | Veilig, gezond & vitaal werken

Betreft: Belangrijkste resultaten uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2015. De NEA is tevens in opdracht van Voion uitgesplitst voor het voortgezet onderwijs.
Uitgevoerd door: TNO en CBS
Opdrachtgever: Ministerie van SZW
Datum rapport NEA 2015: voorjaar 2016
Datum rapport NEA 2015 uitgesplitst voor het voortgezet onderwijs: oktober 2016

Eind 2015 voerden TNO en CBS de elfde Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) uit. Bijna 46.000 werknemers deden mee aan het onderzoek. In de NEA staat ‘kwaliteit van de arbeid’ in brede zin centraal. Dat betekent dat naast de arbeidsomstandigheden, substantiële aandacht wordt geschonken aan de organisatie en inhoud van arbeid, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. Tevens wordt aandacht besteed aan de gezondheid van werknemers. Aan bod komen arbeidsongevallen, verzuim en beroepsziekten, maar ook de algemene gezondheidstoestand en burn-out klachten. Ten slotte komen enkele andere thema’s aan bod zoals functioneren en inzetbaarheid, opleiding en ontwikkeling, gezondheid en de balans tussen werk en privé.

TNO heeft in opdracht van Voion de resultaten van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2015 uitgesplitst voor het voortgezet onderwijs (vo).

Enkele conclusies voor het voortgezet onderwijs: ·        
  • Werknemers in het vo zijn tevreden met de arbeidsinhoud. Zij vinden het werk interessant en ervaren flow en zijn over het algemeen opgewassen tegen de eisen van het werk. Voor een kleine 15% van de werknemers is dat echter niet zo gemakkelijk.
  • 67% van de werknemers vindt dat aanvullende maatregelen tegen werkdruk en of werkstress nodig zijn. In vergelijking met overige sectoren (40%) is dat veel. In het onderwijs ligt het accent op veel werk en extra hard werken terwijl het accent in de overige sectoren ligt op snel moeten werken.         
  • Meer dan in overige sectoren zijn werknemers in het vo emotioneel betrokken en vinden zij het werk emotioneel veeleisend. Ongewenst gedrag van buiten de school heeft vooral te maken met intimidatie en pesten terwijl het minder gaat om ongewenste seksuele aandacht en fysiek geweld.         
  • Werknemers in het vo ervaren minder regelmogelijkheden dan werknemers in de overige sectoren. Het niet zelf kunnen beslissen over het opnemen van verlof lijkt het belangrijkste aspect gevolgd door niet zelf het werktempo kunnen regelen.
  • Werknemers in het vo zijn tevreden over de arbeidsomstandigheden. Bijna 14% van de werknemers is van mening dat maatregelen tegen hinderlijk geluid nodig zijn. Andere aanpassingen in verband met de gezondheid gaan vooral over de hoeveelheid werk en de functie of het takenpakket en in mindere mate over aanpassingen in meubilair of arbeidsmiddelen.
  • 45-plussers is gevraagd onder welke omstandigheden zij langer willen en kunnen doorwerken. De belangrijkste aanpassingen die men wenst zijn ontzie-maatregelen zoals vermindering van het aantal uren / dagen werk gevolgd door verlichting van de werkzaamheden.     
  • Ongewenst gedrag van collega’s en leidinggevenden komt in het vo vaker voor dan in andere (onderwijs)sectoren; 20,5% van de vo-werknemers heeft er een enkele keer of vaker mee te maken. 6,8% van de werknemers in het vo is van mening dat (aanvullende) maatregelen tegen Intimidatie, agressie, geweld of pesten door leidinggevende(n) of collega’s nodig is.
  • De mate van sociale steun door leidinggevenden en collega’s is hoog en vergelijkbaar met andere sectoren. Leidinggevenden in het vo stimuleren werknemers meer dan in andere sectoren om kennis en vaardigheden te (blijven) ontwikkelen.
  • Medezeggenschap is in het vo met 94,7% bekender dan in andere (onderwijs)sectoren (89% en 61%). Werknemers in het vo zijn tevreden met de MR.
  • De tevredenheid van werknemers in het vo met de primaire arbeidsvoorwaarden (salaris, dienstverband, werkzekerheid) is vergelijkbaar met die in overige sectoren. ·        
  • De tevredenheid met de mogelijkheden om in het vo werk en privé in balans te houden / brengen (deeltijd werken, werktijden bepalen etc.) is goed vergelijkbaar met de tevredenheid in de overige sectoren. Tevredenheid met zelf de werktijden bepalen scoort iets lager. ·        
  • In het vo is men tevreden over de mogelijkheid om een opleiding of cursus te volgen. Daarvan wordt meer gebruikt gemaakt dan in overige sectoren. Die scholing heeft vooral als doel het huidige werk en de veranderingen daarin beter aan te kunnen. In andere sectoren gaat het vooral om de behoefte kansen op werk in de toekomst te vergroten.
  • Zowel het verzuimpercentage als de meldingsfrequentie als de gemiddelde duur van het verzuim liggen allen boven het landelijk gemiddelde. Het percentage werknemers dat zich in een jaar niet ziek meldt, de zogenaamde nul-verzuimers, ligt in het onderwijs onder het landelijk gemiddelde.
  • Werknemers uit het vo scoren stelselmatig minder gunstig op stellingen over burn-out gerelateerde klachten dan werknemers uit andere sectoren. Burn-out klachten komen in het vo (22,3%) vaker voor dan in de andere onderwijssectoren (18,6%) en overige sectoren (13,6%). Uit de NEA van 2014 bleken 7% van de onderwijswerknemers een burn-out te hebben, in de overige sectoren was dat 5%.

In bijgaand rapport 'NEA 2015 uitsplitsing naar het voortgezet onderwijs' zijn de kenmerken van de kwaliteit van de arbeid en het verzuim en burnout-klachten nader geanalyseerd en beschreven.
Daarnaast kunt u hieronder ook de NEA 2015 voor alle sectoren downloaden.